|
IN PASSIE JE KOP VERLIEZEN 'Headless males make great lovers' Bij passie
denken we vooral aan erotiek en misschien niet direct aan dieren... maar dat is
niet terecht. De passie waarmee dieren vaak op zoek gaan naar een partner en
haar het hof maken, doet niet onder voor die van mensen. In onze soort kan die
passie bij beide geslachten voorkomen; bij dieren is het vaak het mannetje dat
zich uitslooft en soms letterlijk zijn kop verliest. De meeste mannen komen dan ook nooit aan de bak. Mannetjesdieren hebben verschillende tactieken om een vrouwtje te verleiden. Vaak gebruiken ze show en soms bedrog. Show Prieelvogel “Kom mijn cd’s luisteren”, zegt een tienerjongen tegen het meisje dat hij wel ziet zitten. Dat doet de prieelvogel ook.
Prieelvogels leven in Australië en Nieuw-Guinea. De mannetjes zijn onopvallend. Ze bouwen een ‘prieel’, soms meer een tuintje belegd met varens, mossen en bladeren, soms een tuintje met een tipi, gebouwd van takjes en met een opening aan een kant, en soms meer een soort overdekt pad. In alle gevallen fraai versierd met gekleurde dingen van keverdekschilden tot tandenborstels, van afgeworpen slangenhuiden tot schedeltjes of flessendoppen. Als er een vrouwtje in de buurt komt, danst het mannetje in zijn tuintje soms jonglerend met een stokje in zijn snavel, in de hoop haar het prieel in te lokken. Daar vindt dan de paring plaats. Het vrouwtje bouwt daarna alleen haar nest en zorgt verder ook alleen voor de broedzorg. Het mannetje kan weer andere vrouwtjes lokken. Mannetjes moeten de kunst leren om een mooi succesvol prieel te bouwen. Als ze jong zijn, bestuderen ze de producten van hun volwassen soortgenoten en als ze bezig zijn stelen ze nogal eens onderdelen van hun buren, ook van mensen trouwens. Bekend is een verhaal uit Australië, van iemand die zijn kunstoog miste dat in een glas water werd bewaard en later terugvond in het tuintje van een prieelvogel. De vogels hebben een sterke voorkeur voor een bepaalde kleur (variërend per soort). Sommige verven hun prieel ook met een prutje van plantendelen en speeksel. De vogels
zijn weken in de weer om hun prieel te bouwen en daarna nog dagelijks aan het
werk om alles precies zo te houden als ze willen. Toen onderzoekers iets
veranderden of het hele geval een kwartslag draaiden, werd alles heel precies
hersteld, desnoods van het begin af weer precies zo opgebouwd. De vrouwtjes maken de ronde langs al hun mannelijke soortgenoten in de buurt en kiezen dan met wie ze willen paren (meestal maar één keer). Ze bouwt een nest, broedt en verzorgt de jongen verder alleen. De mannetjes kunnen doorgaan met hun verleidingsactiviteiten. Een succesrijk mannetje kan wel veertig vrouwtjes bevruchten, de meeste mannetjes niemand. Passie loont!
Andere soorten dieren showen op andere manieren, het hert met zijn gewei, de pauw met zijn staart, de leeuwerik met zijn lied. De mannetjes sloven zich uit en vechten soms ook letterlijk; de vrouwtjes kiezen meestal de winnaar. Weduwvogel Dat ze echt voor de meest extreme man gaat is aangetoond bij de ‘weduwvogel’, een vogeltje ter grootte van een mus, met een staart van veertig centimeter. Onderzoekers knipten bij een twaalftal mannetjes de helft van de staart af en plakten die er bij twaalf andere aan. Nog eens twaalf mannetjes werden alleen geringd. Bij deze vogels broeden de vrouwtjes ook alleen; de mannetjes proberen zoveel mogelijk vrouwtjes in hun territorium te lokken. Toen de onderzoekers de territoria van deze mannetjes controleerden, bleken de mannen met 60 centimeter lange staarten de meeste vrouwtjes te hebben en die met nog maar twintig niets of weinig. (Deze staarten bestaan alleen uit veren. Het knippen doe geen pijn en na de volgende rui is elk mannetje weer normaal).
Voor de zwaarddrager (vis) geldt hetzelfde verhaal: hoe langer het ‘zwaard’, des te aantrekkelijker. Bij zwaluwen
is de lengte van de staartpennen variabel. Onderzoek heeft
aangetoond dat wie lange staartpennen heeft, erg gezond is en geen last heeft
van luizen. Vrouwtjes die mannetjes met de mooiste, langste staart kiezen hebben
dus gelijk: hij heeft goede genen! Bedrog Wie niet
groot is moet slim zijn. Dat geldt ook bij sommige diersoorten. Mannetjes die
niet groot en indrukwekkend zijn, kunnen toch paren doordat ze hun soortgenoten
foppen. Kikkers
Kikkermannetjes lokken vrouwtjes door luid te kwaken. De grootste kwaken het hardst en met de laagste toon. Hier zijn bij verschillende soorten satellietmannetjes: dat zijn kleine dieren die vlak bij een luid kwakende grote man gaan zitten. Als er een vrouwtje op de kwaker af komt, deponeert hij ook zijn zaad op haar eieren. Hij spaart energie en loopt minder kans door een roofdier gepakt te worden.
Zo zijn er
bij kemphanen mannetjes die eruit zien als vrouwtjes. Als de kemphanen vechten,
kunnen zij stiekem paren met de vrouwtjes die zich rondom de kemphanen
verzamelen. Om niet
door de mand te vallen laat zo’n
mannetje zich ook door normale hanen bespringen. Cadeautjes,
eventueel je eigen kop Een
hofmakend mensenmannetje komt vaak met een bloemetje aanzetten. Sommige mannen
doen dat ook nog lang nadat ze de vrouw voor zich gewonnen hebben, elke week.
Dat is ook bij veel dieren het middel om een vrouwtje te verleiden. Spreeuwen
Spreeuwenmannetjes
bieden een wijfje dat ze aardig vinden, een bloemetje of een mooi takje aan. Dat
werkt vaak prima. Sterns brengen haar een
visje. Veel meeuwen doen dat ook. Bij de
visarend geldt: hoe groter de vis die het mannetje aan het vrouwtje aanbiedt, hoe
meer paringen. Bidsprinkhaan: de ‘headless males’
Anders dan de vrome naam zou doen vermoeden zijn bidsprinkhanen genadeloze rovers. (Sprinkhanen zijn het niet; sprinkhanen zijn planteneters). Een mannetjesbidsprinkhaan die een vrouwtje ruikt en wil paren, benadert haar heel voorzichtig en bespringt haar van achteren en grijpt zich dan stevig vast. Als hij het niet goed doet, zal het vrouwtje hem grijpen en direct toehappen. Als hij zijn kop al kwijt is, gaat hij toch door met de paring. Hoe kan dat? Deze dieren (en insecten in het algemeen) hebben niet het grootste deel van hun zenuwstelsel in hun kop zitten. In de rest van het lichaam zit ook een aanzienlijk deel. In de kop zit wel een centrum, dat zorgt dat er niet gepaard wordt voordat de achterpoten het vrouwtje stevig vast hebben. Dit betekent dat de paring makkelijker verloopt zodra de kop eraf is. Bij veel soorten gebeurt het kannibalistisch gedrag van het vrouwtje per ongeluk, maar bij enkele (van de 1800 bekende) soorten behoort het tot het vaste ritueel.
Waarom zou
een vrouwtje haar partner opeten? In sommige gevallen lijkt het meer een
vergissing. Deze dieren eten gewoon alles wat ze te pakken kunnen krijgen, en
zeker een kleiner mannetje is dan simpelweg prooi. Maar bij sommige soorten
lijkt het mannetje zich zelf aan te bieden. Vaak is het dier na de paring toch
ten dode opgeschreven. Door zich aan het vrouwtje aan te bieden geeft hij haar
een flink portie voedzaam eiwit, dat aan haar – en zijn – eieren ten goede
komt. Hij vergroot zo dus zijn ‘fitness’. Andere
seksuele kannibalen Er zijn
ook soorten (kriebel)mugjes waar het mannetje zo zorgt dat hij zeker is van
zijn vaderschap: tijdens de paring eet het vrouwtje hem op, op de manier waarop
deze diertjes zich voeden: steken en leegzuigen. Als het mannetje leeg is
blijven zijn resten op haar paringsopening zitten zodat het vrouwtje niet nog
eens kan paren. Al haar eieren zijn zijn nakomelingen Ook bij
spinnen komt dit type seksueel kannibalisme ook vrij algemeen voor. Harems
en seksuele dimorfie [2] Macho’s
kennen we in de mensenwereld, maar zo bont als sommige dieren het maken toch
niet.
Zee-olifanten
kunnen
zes meter lang
zijn en vier ton wegen – maar alleen de mannen. Die zijn twee tot tien keer zo groot als
de vrouwtjes! Deze
dieren (familie van zeeleeuwen en walrussen) leven het grootste deel van het
jaar zwemmend in open zee. Als het voortplantingsseizoen nadert, komen eerst de
mannetjes aan wal op vaste plaatsen. Ze voeren heftige, bloedige gevechten om de
dominantie. Als de zwangere vrouwtjes aankomen, is op die plek maar één man de
baas. De vrouwtjes blijven dichtbij elkaar om zich te beschermen tegen de
agressieve mannetjes. Ze krijgen
hun jongen ongeveer tegelijk, zes dagen na aankomst en zijn drie weken later
klaar om te paren, vlak voor ze weer naar zee gaan, na hun jongen gespeend te
hebben. De alfaman
monopoliseert alle vrouwtjes; de nummer twee probeert alle andere mannen weg te
jagen (en mag ook een paar vrouwtjes) en de lagere mannen blijven aan de
buitenkant van het territorium. De omvang van de harem varieert. Als er minder
dan vijftig vrouwtjes zijn, paart de alfaman met alle; als er een paar honderd zijn,
zullen er tien tot vijftien mannen zijn die elk een deel voor hun rekening nemen. Het gevolg is dat misschien tien procent van de mannetjes de kans krijgen te paren. Het leven van een alfaman is trouwens ook niet eenvoudig. Hij kan honderd dagen niet eten, want als hij even in zee zou gaan om wat te eten, zullen andere mannen de harem direct overnemen. De alfaman leeft daarom niet lang; zelden blijft hij meer dan drie jaar aan de macht. Lagere
mannetjes proberen stiekem te paren als de alfaman slaapt of vecht of paart,
maar vaak zullen ze hun leven lang niet aan de bak komen. Het lijkt
of de vrouwtjes niets in te brengen hebben, maar zo simpel is het niet. Als een
laag geplaatst mannetje probeert te paren, laat het vrouwtje soms een luid
geschreeuw horen, waar de alfaman op af komt, die de indringer wegjaagt en zelf
met haar paart. Voor ons lijkt het of de vrouwtjes kiezen voor een brute
dictator, maar door haar voorkeur voor de alfaman zorgt ze ervoor dat haar
jongen de beste genen, die van een sterke man, meekrijgen Hert
Vergelijkbare
systemen zijn bij allerlei soorten te vinden, bijvoorbeeld bij diverse soorten
herten, waar de mannen hun fitheid tonen door de enorme geweien die de grootste
mannetjes dragen. Ze moeten vele kilo’s meetorsen en bovendien ieder jaar een
nieuw gewei produceren. Een man die dat kan moet wel goede genen hebben, Turkse
harems In de 16de
en 17de eeuw beheerste het Ottomaanse rijk, naast het huidige
Turkije, delen van Noord-Afrika, zuid-west Azië en zuid-oost Europa. De Ottomanen
waren moslims en dus mocht een man vier vrouwen hebben plus een onbeperkt aantal
concubines. De vrouwen waren verplicht om buitenshuis gesluierd te zijn om
mannen te beschermen tegen verleiding. Ze verbleven in harems. De sultan had een
grote harem waar zijn moeder de baas was. De vrouwen die kinderen van de sultan
hadden gebaard stonden tweede in rang, naast de persoonlijke favorieten van de
sultan. Verder waren er vrouwen die eigenlijk meer dienstmeid of slaaf waren,
maar het systeem was dynamisch: een meisje kon zich opwerken tot een hoge rang. Harems
en harems Als we dit
vergelijken met de zeeolifanten, vallen een paar zaken op: de sultan was
verplicht zijn vrouwen goed te behandelen Hij behoorde zich beschaafd te
gedragen als hij de harem binnen ging. De Koran verplicht een man om zijn
vrouwen gelijk te behandelen. De
zeeolifantman drukt met zijn enorme gewicht nogal eens een vrouwtje dood (en
zeker vaak haar jong) . Groepen
menselijke haremvrouwen vormen zich niet vrijwillig; vroeger waren het vaak
geroofde meisjes. De zeeolifant-vrouwtjes vormen zelf hun groepen en gaan dan
samen aan land in het territorium van een dominante man. Ook bij
andere dieren met haremsystemen kiezen de vrouwtjes zelf voor een bepaald
mannetje. Waarom
dit gedrag? Mensen
denken vaak dat apen, of vlinders, of katten paren ‘om de soort voort te
zetten’.
Als dieren
de soort zouden willen voortzetten, zouden ze graag samenwerken, maar vaak zie
je grote vijandigheid tussen de seksen. Ieder individu heeft namelijk zijn eigen
doel: haar of zijn eigen genen doorgeven naar de volgende generatie, en wel
zoveel mogelijk. Het
individu dat de meeste nakomelingen nalaat is evolutionair gezien de fitste (dit
is de betekenis van de term ‘survival of the fittest’, en niet fit zijn in
de betekenis van gezond). Vrouwen en
mannen hebben daarin een verschillende agenda waar ze gepassioneerd aan werken. Dat
verschil zit ‘m in de geslachtscellen. Vrouwen
produceren eicellen waar per definitie reservevoedsel voor de allereerste
ontwikkeling in zit, plus de hele celstructuur. Dat is een grote investering.
Bovendien is het mogelijke aantal eicellen per vrouwtje beperkt. Mannen leveren
met hun zaadcellen uitsluitend hun genetisch materiaal plus een mechanisme om
dat naar de eicel te brengen. Bij zoogdieren en andere dieren met broedzorg is
de investering van de vrouwen - en daarmee het verschil - nog veel groter. Die
investeren niet alleen de eicellen, maar ook veel tijd en energie. Broedzorg
is meestal het werk van de moeder, ook al zijn er ook veel soorten waar de vader
een deel van de broedzorg op zich neemt. Er zijn ook soorten, zowel bij vogels
(de franjestaart) als bij vissen (stekelbaarsje en zeepaardje bijvoorbeeld)
waar de vader alleen voor het kroost zorgt. Het gevolg
is dat vrouwen hun eicellen willen laten bevruchten door het beste genetische
materiaal dat ze kunnen vinden. Ze laten dus niet iedere man zomaat toe, maar
zijn vaak heel kieskeurig. Een vrouw kan zich niet veroorloven om haar eicellen
te verspillen aan waardeloze zaadcellen Mannen
streven naar zoveel mogelijk bevruchtingen. Omdat ze weinig invloed hebben op de
verdere overlevingskansen van de jongen, kunnen ze maar beter het risico
spreiden en zoveel mogelijk vrouwtjes verleiden. Zij hebben bovendien weinig te
verliezen: de aantallen geproduceerde zaadcellen zijn als regel astronomisch.
Een mensenvrouw produceert in haar leven enkele honderden eicellen, maar kan
niet meer dan misschien twintig kinderen voortbrengen. Een mensenman kan
dagelijks miljoenen zaadcellen leveren. Mannen
moeten dus zorgen dat ze een vrouw (en liefst meer dan één) overtuigen van de
geweldige kwaliteit van hun genen. Ze moeten daarbij concurreren met andere
mannen die ook graag hun genen willen doorgeven. Die
concurrentie betekent bij sommige soorten veel onderling vechten. Dit verklaart
waarom dan de mannetjes groter zijn dan de vrouwtjes: in de loop van de evolutie
hebben de vrouwtjes steeds voor de grootste man gekozen. De grootste hebben de
meeste nakomelingen. In het algemeen wijst een grote seksuele dimorfie op
polygame verhoudingen: succesrijk zijn de grote mannetjes die veel vrouwtjes
bevruchten. Bij de
mens liggen de zaken iets anders omdat onze jongen zeer lang verzorging
nodig hebben, en daarvoor (in de oorspronkelijke situatie) wel twee ouders nodig
hebben: een vader die af en toe een mooie portie vlees (d.w.z. eiwitrijk voedsel)
thuis brengt (en snijdt op zondag…) en een moeder die eerst melk geeft en
later vruchten, zaden, knollen (d.w.z. koolhydraatrijk voedsel), eieren en
dergelijke verzamelt. Gezien de geringe seksuele dimorfie van onze soort moeten we
concluderen dat wij mensen van nature gematigd monogaam zijn… Loes Pihlajamaa-Glimmerveen September 2007 Literatuur: [1]
Marty Crump: HEADLESS MALES MAKE GREAT LOVERS & other
Unusual Natural Histories (University of Chicago Press 2007) [2] Onder seksuele dimorfie verstaan we het verschijnsel dat bij veel soorten de geslachten er verschillend uitzien. Dat kan variëren van een gering verschil in afmetingen zoals bij onze soort tot grote verschillen in kleur, vorm en grootte.
|
|
|